De St Helena fazant

Het Sint Helena fazantje

  Inleiding

Dit is een tweede deel in een onlangs gestarte serie over in mijn ogen betaalbare tropische vogels waar ik bovendien zelf (ooit) mee gekweekt heb. In een dergelijke serie mag het St. Helena fazantje zeker niet ontbreken. Daar waar het importverbod voor tropische vogels tot grote prijsstijgingen heeft geleid voor vroeger zeer betaalbare soorten als blauwfazantjes, vuurvinkjes e.d. zijn de St. Helena fazantjes naar verhouding altijd relatief goedkoop gebleven. Naar ik heb gehoord heeft dat te maken met het feit dat deze vogel ook in de vrije natuur binnen de EU voorkomen. Met name Zuid-Spanje en Portugal worden dan genoemd. Mocht dat verhaal waar zijn, dan kan het haast niet anders of de Zuid Europese populatie St. Helena fazantjes moet de afgelopen jaren flink zijn afgenomen. Immers terwijl er de afgelopen jaren vrijwel geen import van Afrikaanse prachtvinken was, is het St. Helena altijd vrij makkelijk te verkrijgen geweest. Zelf neig ik er naar te denken dat de aanwezigheid van een (kleine?) Portugese en Spaanse populatie van deze vogels, gebruikt is om EU ambtenaren een rad voor ogen te draaien voor de werkelijke herkomst van elders (illegaal) geïmporteerde vogels. Maar in hoeverre dit verhaal waar is weet ik niet. Dit soort verhalen kunnen mij doorgaans weinig boeien, waar mee ik niet wil beweren dat vogelliefhebbers niet goed moeten nadenken over de herkomst en de transport - en huisvesting condities bij de handel in vogels. Al was het alleen maar om te voorkomen dat we de politiek weer een handvat aanreiken om onze hobby verder te beperken.

  Beschrijving

Het St. Helena fazantje (Estrilda astrild) behoort tot de echte Afrikaanse astrilden (de Estrilda familie). Het zijn relatief kleine, vrij slanke vogeltjes van zo’ n 11 tot 12 cm, waarbij de staart ongeveer de helft van de lichaamslengte in beslag neemt. De vogels zijn overwegend bruin gekleurd, met een helder rode oogstreep en een rode snavel. Op de buik bevindt zich een roze-rode buikvlek die afhankelijk van de ondersoort en het geslacht, meer of minder uitgebreid en dieper van kleur kan zijn. Wie goed kijkt zal zien de vogels niet eenkleurig bruin zijn, maar dat zich op het bruin over vrijwel de gehele vogel een fijne golftekening bevind. De naast verwante van het St. Helena fazantje zijn het Napoleonnetje (Estrilda troglodytes) en de teugelastrilde (Estrilda rhodopyga). Deze drie soorten zijn goed uit elkaar te houden. Bij het Napoleonnetje zijn de bruine veervelden wat meer grijs met een aanzienlijk minder duidelijk golftekening, bovendien zijn de vogels aan de onder kant van de staart grijs-wit van kleur t.o.v. de donkere onderstaart bevedering van het St. Helena fazantje. Het verschil met de teugel astrilde is simpel. De teugel astrilde heeft een zwarte in plaats van een rode snavel, bovendien heeft de teugel astrilde rood in de vleugels. Het verschil tussen mannen en poppen van het St. Helena fazantje is makkelijk vast te stellen. Maar ga daarbij niet af op de grote van de roze-rode buikvlek. Kijk naar de onderstaart dekveren. Deze zijn egaal zwart bij de man en donkerbruin (met golftekening) bij de pop.

St. Helena fazantjes komen van nature voor vanaf de Afrikaanse savannen rondom de evenaar tot aan de zuidpunt van dat continent.

Voor zo ver mij bekend zijn er geen mutanten van het St. Helena fazantje beschikbaar. Dat wil niet zeggen dat ze niet voorkomen. Ik heb zelf ooit een bruine mutant uit een import zending gevist, Ik heb er helaas nooit mee gekweekt …..Een typisch geval van had ik maar. En mischien bestaat er ook wel een geel/oranje snavel mutant, want zo oranje snavel als op de bijgevoegde foto heb ik nooit eerder gezien. Normaal is ook bij de poppen de snavel rood.

  Huisvesting en Voeding

St. Helena fazantjes behoren met goudbuikjes tot de meest geharde Afrikaanse astrilden. Zelfs op uitsluitend zaad en water kunnen deze vogels in een onverlichte buitenvolière de gemiddelde Nederlandse winter trotseren. Dit is echter niet optimaal en verdient geen aanbeveling. Ik heb zelf houd mijn St. Helena fazantjes in een onverwarmde buitenvolière met aansluitend nachthok. Bij aanhoudende matige tot strenge vorst verwarm ik het nachthok tot ongeveer 0°C. Bovendien is nachthok minimaal 12 uur per dag verlicht. Onder deze condities heb ik eigenlijk nooit noemenswaardige uitval onder mijn St. Helena fazantjes gehad, maar ik moet toegeven dat mijn voeding wel uitgebreider is dan alleen zaad en water.

Als je Afrikaanse prachtvinkjes wil kweken zijn er twee dingen waar je niet om heen komt. “Levend voer” en fijne (half rijpe) zaden. Voor veel Afrikaanse prachtvinkjes zoals het St. Helena fazantje zijn de zaden in een gemiddeld voer voor tropen wat te grof. Dit soort vogels prefereert kleine zaden en graszaad. Dus naast het standaard tropen mengsel voer ik gedurende het hele jaar een uitgebreid mengsel van verschillende (gedroogde) gras- en onkruidzaden. Ook pluk ik vanaf het voorjaar tot diep in de herfst verschillende onrijpe grassen en kruiden die ik aan vrijwel al mijn vogels verstrek. (Ik zal hier in een afzonderlijk artikel in een volgend nummer nog eens apart op terugkomen).

Daarnaast krijgen mijn vogels in de buitenvolière regelmatig eivoer (Aves). In de winter eens tot twee keer per week en gedurende het kweekseizoen dagelijks en soms zelfs twee keer per dag. Mijn ervaring is dat vrijwel alle vogels het Aves eivoer goed opnemen. En wat voor we ook mogen voeren, dat is uiteindelijk het meest belangrijk. Door mijn eivoer meng ik dan altijd wat ontdooide diepvries buffalowormpjes en pinkies. Echt levend voer gebruik ik zelden meer.

  Kweek.

Mijn ervaring met St. Helena fazantjes gaan terug tot de 70- en 80- jaren van de vorige eeuw (frappant genoeg waren St. Helena fazantjes toentertijd duurder dan Napoleonnetjes of teugelastrilden). In die tijd heb ik er echter nooit mee kunnen kweken. Mijn eerste kweek resultaat dateert van een jaar of 8 gelden. Sindsdien kweek er ieder jaar wel een paar. Zelfs in een volière met weliswaar niet zulke dominante andere vogels zoals bijv. de diverse nonnensoorten en andere Afrikaanse prachtvinken is dat goed te doen. Meestal bouwen de vogels bij mij een vrijstaand nest in de aanwezige beplanting dan wel de coniferentakken die ik her en der in de volière bevestig. Het nest is een prachtig bolletje met aan de voorzijde een soort tunneltje dat tot de werkelijke nestkamer leidt. Tijdens het broedproces wordt het nest verder uitgebreid met een soort tweede verdieping boven op het eerste nest. Deze tweede verdieping (het zgn. hanennestje) wordt eigenlijk nooit afgebouwd tot een mooi bolletje en zou dienen om in de natuur vijanden te misleiden door de aandacht van het werkelijke nest af te leiden. Uit bovenstaand kunt u al afleiden dat u de St. Helena fazantjes in ruime mate van nestmateriaal moet voorzien. Zelf geef ik ze (veel) kokosvezel, maar ook de stengels van de verstrekte onrijpe grassen worden door de St. Helena fazantjes graag gebruikt. Zorg er voor dat het nestmateriaal niet te kort van lengte is. Onverknipte kokosvezel, alhoewel veel langer dan de vogel zelf, is prima.

In het nestje worden doorgaans 3 tot 5 witte eitjes gelegd, welke door beide ouders worden bebroed. Na 13 – 14 dagen komen de jongen uit. Ga dan niet de hoeveelheid “levend” voer meteen opvoeren, zolang de St. Helena fazantjes een paar pinky’s of buffalowormpjes per dag krijgen is dat prima. Veel belangrijker is het dat u als er jongen zijn fijne, bij voorkeur onrijpe, graszaden voert. Dus hup, uit uw luie stoel en de natuur in. Met name straatgras (Poa annua) dat vrijwel overal te vinden is, wordt door de St. Helena fazantjes zeer gewaardeerd. Daar kunt u nooit genoeg van verstrekken en het is zeker zo belangrijk als het “levende voer”. Ook andere halfrijpe graszaden zijn in deze periode van grote waarde.

Rond dag 8 tot 9 ring ik de vogels met een 2.3 mm ring. Het is altijd een heel gedoe om de jonge vogels uit het nestje te halen, zonder het nest te vernielen. Ik “schep” de jonge vogels met een wat smalle lepel uit het nest. Op deze manier blijft de schade aan het nest beperkt. Behoudens de inbreuk op de privacy van de vogels bij het ringen, steek ik verder hooguit incidenteel mijn vinger in het nest om te voelen (meer is het niet) of de jongen nog leven. Na een week of drie vliegen de jongen uit. Ze zijn dan nog goed van de ouders te onderscheiden door hun wat fletsere kleuren en de zwarte snavel. Twee weken na het uitvliegen zijn de jongen zelfstandig. Ik laat ze doorgaans bij de ouders in de volière. De ouders negeren doorgaans de jongen van een eerdere broed en de jongen verstoren het groot brengen van het volgende nest ook niet. Het op kleur komen van de jonge St. Helena fazantjes gaat vrij onopgemerkt; een 3-4 tal maanden na het uitvliegen zijn ze volledig op kleur.

Voor wat betreft de kweek nog een opmerking; ik heb ooit twee koppeltjes in één volière gehad. Dat was geen succes. De vogels waren vooral bezig ieder poging van voortplanting van het andere koppel te voorkomen. Ik heb weleens gehoord dat drie koppels wel zou lukken. Ik weet het niet. Wel is het mij zonder problemen gelukt om deze vogels met succes in naast elkaar gelegen volières te kweken. Maar ik zou zeggen begin gewoon met een paartje in uw volière, Doe uw best om jongen te kweken. Het vereist een iets actievere beleving van onze hobby daar waar het gaat om het verzamelen van onrijpe graszaden en wellicht het voeren van wat (diepvries) pinkies en buffalo wormen, maar het is zeker de moeite waard.

  Tentoonstellen

Het St. Helena fazantje is een ideale tentoonstelling vogel. Ze zitten vrijwel altijd strak in de veren en alhoewel ze gekeurd worden als conditievogel, hebben ze normaliter weinig fouten bronnen. Vooral de mannen, met hun wat uitgebreidere rozige gloed in de bevedering kunnen, indien in perfecte conditie, zeer hoog in de punten eindigen. Enige gewenning aan de tentoonstellingskooi is wel een vereiste voor succes. Punt van aandacht is de lengte van de nagels. Die kunnen wat aan de lange kant zijn. Dus even bijknippen, maar let op het “leven” in de zwarte nagels.

  Samenvatting

Het St. Helena fazantje is tegenwoordig niet alleen doorgaans de goedkoopste (25–35 Euro/koppel) van de niet-gedomesticeerde Afrikaans prachtvinkjes, het is bovendien een qua voeding een makkelijk in leven te houden, vredelievende, geharde astrilde. Met iets meer aandacht dan alleen voer en water is het niet moeilijk om met St. Helena fazantjes te kweken. Ook voor de tentoonstelling zijn St. Helena fazantjes, mits in goede conditie en dan met name de mannen, zeer geschikt.

  Peter Bredenbeek

  © Peter Bredenbeek. Overname van dit artikel en/of foto’s allen na schriftelijke toestemming van de auteur (p.j.bredenbeek@kpnmail.nl)
Ons adres:
  • Verenigingsgebouw
    Bisschopsweg 104b
    6741XA Lunteren Nederland

Contact details:
Telefoonnummer:
  • 0318-483870